Vogue
Sigrid Kaag: toen onze vrouw in Beiroet, nu onze minister in Kabinet Rutte III

cultuur / Interviews

Sigrid Kaag: toen onze vrouw in Beiroet, nu onze minister in Kabinet Rutte III

Datum
Auteur
Maartje Laterveer
Marc de Groot

Sigrid Kaag is momenteel onze minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Vogue's Maartje Laterveer sprak Kaag in 2016 over haar werk en leven in Libanon als gezant voor de Verenigde Naties, voor het novembernummer. 

De VN-topdiplomate Sigrid Kaag volbracht een levensgevaarlijke ontwapeningsmissie in Syrië en bewaakt nu de vrede in het Midden-Oosten. Half november ontvangt ze de Carnegie Wateler Vredesprijs in het Vredespaleis. Vogue ontmoet Kaag in Den Haag en spreekt haar over Beiroet, suicide bombers en vrouwen. En mode, dat ook.

'Als angst mijn raadgever wordt, dan moet ik meteen iets anders gaan doen.'

Sigrid Kaag

De zon schijnt en de terrassen van het Haagse Plein stromen vol met mannen in pak en vrouwen op hoge hakken. Ambtenaren van het Binnenhof op zoek naar lunch, een straaltje zon en netwerkmogelijkheden. Binnen, bellend aan een tafeltje in het desolate café Miller, zit Sigrid Kaag: een elegante vrouw in fleurige rok met witte top, haar blonde haar in een knot, discrete make-up, de nagels rood gelakt. Het enige wat verraadt dat ze enigszins off-duty is, zijn de sneakers aan haar gebruinde benen. Ze zit aan de telefoon met een bank, zal ze later vertellen. ‘Ik wil een hypotheek aanvragen om een appartement te kopen in Nederland. Daar zijn we al een paar maanden mee bezig. Ik wil graag een plekje hier hebben, voor mezelf, voor mijn kinderen, ook met het idee terug te keren. Dat hoop ik. Ik heb het idee dat het nu een goed moment is voor mij om in en voor Nederland te werken. Ik voel me nog steeds heel erg Nederlands, grappig genoeg alleen maar meer met het ouder worden (Kaag wordt begin november 55, ML). Ik vind het gewoon prettig om hier te zijn. Ik geloof nog steeds heel erg in Nederland en denk dat ons land veel te bieden heeft.’ 
Kaag komt net van een afspraak in het Tweede Kamergebouw aan de overkant van het Plein. Ze zal vanavond een speech geven bij het lustrum van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken. Ze is twee dagen over vanuit Beiroet, de stad waar ze met haar man en kinderen woont sinds ze twee jaar geleden door Ban Ki-Moon werd aangesteld als speciaal gezant voor Libanon. De stad ook waar een constante dreiging is van terreuraanslagen of een burgeroorlog. ‘Twee dagen geleden hadden we acht suicide bombers aan de grens met Syrië. Vandaag hebben we weer een bericht dat ze nog naar iemand zoeken en dat ze een andere aanslag hebben weten te verijdelen. Dus de dreiging is heel concreet.’ Kaag vertelt het kalm en nuchter, met een stem die past bij wat haar grootste troef lijkt als toponderhandelaar in een van de gevaarlijkste gebieden van de wereld op dit moment: haar pragmatische, onverstoorbare natuur.

Geen Homeland

Libanon is een ‘volatile region’, zoals Kaag het noemt: een wankele regio, ‘omringd door zogenaamde falende staten.’ Daarmee doelt ze op Syrië en Irak, waar de oorlog al vijf jaar de regio op scherp zet. Libanon vangt al decennialang een vluchtelingenstroom op die niet in verhouding staat tot de grootte van het land, en al helemaal niet tot de capaciteiten. Kaag is er onder andere om het broze evenwicht te waarborgen en ervoor te zorgen dat in Libanon niet nog een oorlog uitbreekt, met alle gevolgen van dien voor de vrede en veiligheid in ook de hele westerse wereld. ‘Het is altijd lastig uit te leggen wat mijn werk precies inhoudt,’ vertelt ze, en ze somt welwillend op: ‘Ik bezoek vluchtelingenkampen, ik spreek met Hezbollah, ik spreek met politieke leiders, met staatshoofden, ministers van buitenlandse zaken, ik heb veel met de Veiligheidsraad te maken, ik spreek veel internationaal over Libanon, conflictpreventie, vrede en veiligheid, radicalisering, armoedebestrijding.’

Wie de Tegenlicht-documentaire eind vorig jaar heeft gezien, weet hoe dat eruitziet: een chic geklede Kaag die in konvooi van zes gepantserde auto’s naar geïmproviseerde tentenkampen wordt gereden, om daar naar de schrijnende verhalen van gevluchte Syrische vrouwen en kinderen te luisteren. Een onverschrokken onderhandelaar die in vloeiend Arabisch praat met een delegatie Hezbollah-strijders, om daarna door te rijden naar de grens om van gestationeerde militairen te horen hoe Syrische rebellen het land proberen binnen te komen. Een betrokken moeder die tussendoor facetimet met haar oudste dochter Janna, die in Londen rechten studeert, en haar oudste zoon Adam vraagt naar zijn wiskundeproefwerk. Een getrainde blondine die een legging en Nikes aantrekt om te gaan joggen in de vroege ochtend van Beiroet, met een beveiligingsagent in haar kielzog. Of ze weleens bang is? ‘Ja,’ zegt ze zonder een spier te vertrekken. ‘We doen altijd zorgvuldige veiligheidsinschattingen, we kijken naar de timing, soms vaar ik op intuïtie – maar daar kun je nooit helemaal van uitgaan. Je kunt nooit arrogant worden en denken: oh, maar ik ben ongenaakbaar. Dat weet je niet. Dat heeft iets beangstigends. Dat geeft ook stress. En tegelijkertijd moet ik wel doorgaan. Als angst mijn raadgever zou worden, dan moet ik meteen naar huis, dan moet ik iets anders gaan doen.’ 
Om de stress soms uit te zetten, gaat ze een beetje joggen. ‘Of ik ga naar een concert. Of ik ga naar een stomme tv-serie kijken. Detectives, vooral Britse vind ik leuk. Ik kijk ook graag naar Franse televisie, ik vind Franse films geweldig.’ Waar ze ook naar kijkt, ze kijkt niet naar Homeland . ‘Dat weiger ik, uit principe. Naar wat ik erover hoor en gelezen heb, lijkt het mij een enorm storende serie, die een funest stereotype beeld schetst van de werkelijkheid, van het goede versus het kwade, van de Arabier als terrorist versus de moreel goede westerling. We houden mensen gevangen in stereotypen, want dat is makkelijk. Maar men vergeet: het merendeel van de mensen is geïnteresseerd, wil een betere opleiding, is gematigd, iedereen wil een betere toekomst voor zijn kinderen, iedereen wil een beter leven zelf.’

'Er moeten meer vrouwen op alle lagen van organisaties en het maatschappelijk middenveld, in de politiek en in het bedrijfsleven.'

Sigrid Kaag

Voor de kinderen

Als Sigrid Kaag aan het woord is, dwingt ze ontzag af. Ook al klinkt haar stem kalm en onverstoorbaar, ze praat snel en zonder aarzelen. Haar kennis is duidelijk indrukwekkend, ook en zeker als ze het heeft over de Arabische wereld. Ze deed Midden-Oosten-studies met Arabisch in Utrecht en Caïro en studeerde Internationale Betrekkingen met Midden-Oosten in Oxford. ‘Het Midden-Oosten was relevant, toen al: het Arabisch-Israëlisch conflict, de oliepolitiek, OPEC. Het was interessant, het was anders. Ik had zin om iets anders te doen.’ Daarna deed ze vrijwilligerswerk op de Westelijke Jordaanoever, ging ze werken voor Shell in Londen, toen deed ze ‘het klasje’ (de diplomatenopleiding van het prestigieuze instituut Clingendael) en is ze bij het ministerie van Buitenlandse Zaken gaan werken. ‘En toen kwam ik mijn man tegen.’ Ze is getrouwd met Anis al-Qaq, een tandarts en voormalig Palestijnse politicus uit Jeruzalem die werkte onder Yasser Arafat. ‘Omdat ik trouwde ging ik weg bij Buitenlandse Zaken om voor de Verenigde Naties te werken,’ vertelt ze. ‘Dat was toeval. Mijn carrière is eigenlijk veel internationaler geworden dan ik gepland had, als ik überhaupt aan planning deed. Ik had nooit de ambitie om bij de VN te werken.’ 

Marc de Groot, Vogue Nederland, november 2016

Kaag heeft in de loop der decennia verschillende functies over de hele wereld vervuld. Ze woonde in Jeruzalem, Genève en in de Jordanese hoofdstad Amman. Ze was onder meer regionaal directeur van Unicef voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika, en zat een jaar in Damascus om leiding te geven aan een chemische-ontwapeningsmissie in Syrië. Voor dit laatste ontving ze een brief van president Obama, waarin hij haar persoonlijk bedankte voor haar buitengewone verdiensten in deze hoogst zeldzame missie. Een missie die bovendien niet ongevaarlijk was: de plek rond het hotel waar Kaag met haar team verbleef en werkte was geregeld doelwit van mortieraanvallen en ze stuurde een deel van haar mensen naar huis omdat ze de spanning niet aankonden. Haar man en kinderen waren dan ook niet mee op deze missie, iets wat ze doorgaans wel nastreeft. 
‘Ik heb altijd bewust gekozen en veel functies ook niet gedaan, of omdat het land niet goed was qua scholing voor mijn kinderen, of omdat mijn man het niet wilde. En ik heb twee keer in New York gezeten – als ik niet getrouwd was geweest, had ik dat waarschijnlijk nooit gedaan. Ik vind New York helemaal niet zo leuk, in tegenstelling tot de meeste mensen. In Genève zijn we langer gebleven omdat de kinderen jong waren en zij vonden het daar leuk. Heel vaak stelden we onszelf de vraag of het nu zo goed was voor de kinderen om zo vaak te verhuizen. Dat denk ik niet. Maar als je een internationale carrière ambieert, zul je nieuwe ervaringen moeten opdoen.’ 
Op de vraag of ze al die offers brengt omdat ze nu eenmaal gedreven wordt door een hoger doel, haalt ze haar schouders op: ‘Tja, het doel is de uitdaging. Niet alles is zo heilig. Ik moet wel gepassioneerd voor iets blijven, of erin geloven. Dat wel. Maar er is ook het dagelijks leven. Je hebt verantwoordelijkheden, een gezin. Het is belangrijk om die dingen te kunnen blijven combineren.’

‘Ik moet ergens in geloven, dat wel. Maar er is ook het dagelijks leven. Dat moet wel te combineren blijven.’

Sigrid Kaag

Weinig last van ego

Niet voor iedereen binnen de VN is dat vanzelfsprekend. Er zijn zogenaamde familieposten en niet-familieposten: standplaatsen waar je al dan niet je gezin mee naartoe kunt nemen. Mannen kiezen graag voor de laatste, zeggen veel vrouwelijke diplomaten. Diezelfde vrouwelijke diplomaten klagen over de patriarchale cultuur binnen de VN, dat strijdt voor gelijkwaardigheid in de wereld maar zelf nog altijd een mannenbastion schijnt te zijn waarin vrouwen niet op dezelfde voet staan met hun mannelijke collega’s. Kaag slaakt een hoorbare zucht. Vermoeiend onderwerp? ‘Nee, ik ben gewoon moe van de dag. Het is inderdaad een courant gesprek en ja, ik denk dat het nog steeds wel zo is. Kijk maar naar de onderhandelingstafel. Hoeveel vrouwen zie je? De VN is een afspiegeling van de lidstaten. De laatste jaren worden pogingen gedaan om dat te verbeteren, dat is wel zo. Maar ik ben nog steeds een van de weinige vrouwen op dit niveau, zeker getrouwd en met kinderen.’ 
Nu we het er toch over hebben, praat ze steeds gedrevener. ‘Ik denk dat het om een breder verhaal gaat. Er moeten meer vrouwen op alle lagen van organisaties en het maatschappelijk middenveld, in de politiek en in het bedrijfsleven. De helft van de bevolking is vrouw, dat ten eerste. Ten tweede denk ik dat je een scheve besluitvorming krijgt als vrouwen niet vertegenwoordigd zijn. En ja, er zijn vaak complementaire manieren van handelen. Ik hou er niet zo van om mannen en vrouwen in hokjes te plaatsen, maar ik geloof wel dat vrouwen teambuilders zijn, ze luisteren op een andere manier, kijken anders naar problemen, soms intuïtiever.’ Of ze ook capabeler zijn? ‘Dat weet ik niet. Ik denk wel dat vrouwen weinig last van ego hebben. Het ego is geen obstakel in hun bagage en dat is heel goed als je moet onderhandelen. Want het gaat niet om jou, niet om je eigen gelijk.’

Marc de Groot, Vogue Nederland, november 2016

In Syrië werd Kaag ‘the Iron Lady’ genoemd door haar chauffeurs en sommige medewerkers van Assad noemden haar ‘more man than any man they know’. Haar reputatie maakt van haar ongewild een rolmodel voor vrouwen, maar zelf ziet ze dat minder heroïsch. ‘Ik zie mezelf niet als model, dat zou nogal raar zijn,’ zegt ze droogjes. ‘Ik denk wel dat ik een verantwoordelijkheid heb. Zoals iedereen, denk ik, die in de positie is waar ze een klein of een groter verschil voor anderen kunnen maken, en in mijn geval gaat dat voornamelijk om vrouwen. Er zijn inderdaad veel vrouwen die op me afkomen en zeggen: je bent succesvol én gelukkig, je hebt kinderen en bent ook nog getrouwd. Voor veel vrouwen van mijn generatie en daarvoor was het misschien ook lastig, zeker om een internationale carrière te ambiëren. Veel mannen wilden niet mee of zeiden: mijn baan gaat voor. Dus veel vrouwen waren gedwongen tot moeilijke keuzes. Maar wat ik probeer te zeggen: het is nooit makkelijk. Ik ben weinig geholpen, door wie dan ook. Als je het makkelijk wil, moet je vooral niet verhuizen, in hetzelfde land blijven, bij je moeder of tante in de buurt en je vriendinnen: verander niet. Het zijn keuzes. Mensen moeten keuzes maken en ook durven maken. En aangemoedigd worden om die te maken. Als mensen niet willen werken en de hele dag alleen maar willen tennissen, vind ik ook geweldig. Dat moet iedereen zelf weten. Als het maar je eigen keuze is, daar gaat het mij om.’

Nieuwe neus of lippen

De vrouwen in Beiroet zijn opvallend geëmancipeerd voor een Arabisch land. Ze zijn hoogopgeleid, vertelt Kaag, werken in het bankwezen en in het bedrijfsleven. ‘Maar niet in de politiek. Dus ze hebben geen macht. Wij proberen dat te veranderen. Wij zijn altijd erg campagne aan het voeren. Jongens, zeggen we dan, jullie zijn zo’n rolmodel voor de rest van de vrouwen in het Midden-Oosten, jullie hebben ook nog een democratie, maar geen vrouwen in het parlement – hoe kan dit?’ Tegen Kaag, topvrouw in de internationale politiek, kijken ze niet raar aan. ‘Nee, want ze zijn verder heel liberaal en vrijgevochten. Heel mondain ook. En opvallend mooi. De Libanese vrouwen zijn bijna in alle lagen erg met hun uiterlijk bezig. Als ik om me heen kijk, iedereen heeft wel iets gedaan: aan neus, lippen. In mijn omgeving zijn er ook veel jonge vrouwen die iets aan hun neus hebben laten doen, terwijl er niks mis mee was. Dan willen ze een leuk neusje hebben. Het heeft iets beangstigends, vind ik. Het is te veel, de schoonheidsindustrie lijkt doorgeslagen. Een soort cloning wordt het, ze gaan allemaal op elkaar lijken ook. Ik vraag me altijd af in hoeverre dat zal doorpakken in Nederland. Ik vind het iets engs hebben. Dan zie je vrouwen van in de zeventig die een raar jong gezicht hebben. Ze besteden ook heel veel tijd aan slank zijn en goed eten. En mode is heel belangrijk. De vrouwen in Beiroet zijn goed gekleed. Het is wat dat betreft een soort Italië van het Midden-Oosten.’

‘Ik heb het idee dat het nu een goed moment is om voor Nederland te werken.'

Sigrid Kaag

Zelf wordt Kaag ook geroemd om haar elegante kleding. Er kan geen interview met haar verschijnen of er worden wel een paar zinnen gewijd aan haar goede stijl, die veelal bestaat uit kleurige mantelpakjes of broekpakken van de betere merken, hoge hakken en gelakte nagels, vaak gecombineerd met felle bloemenprint en in het oog springende sieraden. Zeker tussen de grijze pakken van de VN en de stuurse mannen van Hezbollah is ze een verschijning. Het is een bewuste keuze, waarbij ze zich meer laat leiden door haar eigen smaak dan door eventuele mores en traditie. ‘Ik trek aan wat ik zelf mooi vind,’ zegt ze, en als om te bewijzen dat een internationale topdiplomaat als zij zich ook weleens bezighoudt met zaken als uiterlijk en schoonheid, pakt ze de Vogue die op tafel ligt. Ze bladert erin, vertelt dat ze dat geregeld doet ‘om mode te kijken’. Ze wijst naar een foto van Sharon Stone. ‘Kijk, die rok vind ik mooi.’ Het is een wijdlopende witte rok met dierenprint die inderdaad qua stijl precies lijkt op de rok die Kaag nu aanheeft: klassiek en vrouwelijk met een moderne twist. Ze bladert verder en ziet een foto van een afgetraind getint model. ‘Zo ziet mijn dochter eruit,’ zegt ze, en ze schakelt moeiteloos over naar de rol van moeder, wat ze ook is. Ze pakt haar telefoon om een foto te laten zien van de diploma-uitreiking van haar oudste dochter: een inderdaad ultraslanke schoonheid met donker golvend haar dat grappig afsteekt tegen het blonde haar van haar moeder. Kaags jongste dochter staat er ook op. ‘Die heeft meer mijn genen,’ zegt ze, ‘heupen en dikkere bovenbenen.’ Op de vraag of haar uiterlijk belangrijk is voor haar, lacht ze. ‘Ik weet mijn minpunten te verhullen. En met het ouder worden geef ik er steeds minder om. Ik kan het iedereen aanraden.’ 
Dan staat ze op. Ze moet nog op kraambezoek en een cadeautje kopen, en ze moet haar speech van die avond nog schrijven. Haar omhelzing is hartelijk, maar je voelt dat ze alweer elders is, in het Midden- Oosten vermoedelijk. ‘Kom je nog naar Beiroet?,’ vraagt ze nog wel. ‘Je moet erheen komen. Ik kan erover praten, je kunt het op het journaal zien. Maar je moet het met eigen ogen zien om het te begrijpen.’

Onze minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren is de eerste openlijk lesbische vice-premier van Nederland

 

Beste bezoeker,

Wij zien dat je een adblocker gebruikt die ervoor zorgt dat je geen advertenties ziet op Vogue.nl.
Dit vinden wij jammer, want Vogue.nl is mede dankzij deze advertenties gratis toegankelijk.
Wil je een uitzondering maken voor Vogue.nl, of meer lezen over hoe wij met advertenties omgaan?
Klik dan hier. Veel dank!

Maak een uitzondering voor Vogue.nl > Sluiten