Vanaf het maart 2019 nummer vind je in Vogue Nederland elk nummer drie nieuwe columns: volg de mini-memoires van Kim van Kooten, Madeleijn van den Nieuwenhuizen en Romy Boomsma.

Op haar twintigste verhuist de Amerikaanse schrijver Joan Didion vanuit Californië naar New York. Ze heeft een schrijfwedstrijd van Vogue US gewonnen en mag nu voor ze komen werken, in hun glanzende kantoor aan Madison Avenue. Het is de broeierige zomer van 1954 en de jukeboxen aan de Upper East Side spelen Aretha Franklin.

Advertentie - Lees hieronder verder

In haar essay Goodbye To All That beschrijft Didion hoe het was om in die tijd – in haar twenties – in New York te wonen. De eerste paar dagen verblijft ze in een hotelletje om van daaruit woonruimte te vinden. De automatische airconditioning staat zo koud dat ze drie dagen rillend van de koorts in een dekentje gewikkeld in bed zit, uitkijkend op de Triborough Bridge – al denkt ze dan nog dat het de Brooklyn Bridge is. ‘All I could do during those three days was talk long-distance to the boy I already knew I would never marry in the spring.’ Anders dan haar gedoemde vriendje, echter, durft ze de receptie niet te bellen om te vragen of de airconditioning wat lager kan. Ze weet namelijk niet hoeveel fooi ze degene zou moeten geven die komt helpen. ‘Was anyone ever so young?’ En dan: ‘I’m here to tell you that someone was.’

Advertentie - Lees hieronder verder

Wat me raakt in dit fragment is de zachtheid van de reflectie. Het had met gemak een karikatuur kunnen worden à la ‘oh my god wat was ik jong en naïef’. Maar het is troostrijker dan dat.

Ik weet nog dat ik in de bus zat, op weg naar de eerste schooldag van een theateropleiding in Amsterdam. Ik was 17 en net vanuit Oldenzaal naar Amsterdam verhuisd. Ik was vastberaden om op tijd te komen. ‘Het is een competitief wereldje,’ sprak ik mezelf streng toe, ‘en mensen die te laat komen op school, komen ook te laat voor de auditie van Medea bij Toneelgroep Amsterdam.’ Met een schok zag ik de Haarlemmerdijk-bushalte voorbijflitsen. Waarom de fuck stopt die bus niet? Ik stommelde naar voren en vroeg de chauffeur met een benepen stemmetje naar de route. ‘Asje wil stoppe moeje op de bel drukke, schat,’ schalde hij, zijn blik op de weg. En in plaats van te stoppen bij de volgende halte reed hij sardonisch door. Ik had immers nog niet op de bel gedrukt. Ik plaste bijna in m’n broek van vernedering en zag Medea en m’n toekomst als plankenactrice in rook opgaan terwijl de bus langs het Westerpark denderde. Was iemand ooit zo jong?

Advertentie - Lees hieronder verder

Ik denk vaak aan Didion tijdens mijn eigen tweeënhalf-jarig verblijf in New York – een stad die het tot haar doel lijkt te hebben gemaakt om schaamte en gêne in de kiem te smoren. Waar ik eerder in Parijs woonde en m’n best deed dun te zijn en met kokette precisie mijn Frans uit te spreken, gaap ik op de straten van Manhattan met mijn mond wijd open. Want de plek die aan de ene kant verpletterende perfectie verkoopt op de billboards van Times Square, is aan de andere kant zó divers dat over elkaar oordelen bijna iets absurds krijgt. Bovendien, als je een keer iemand dronken hebt zien poepen op het metroperron, en mensen lopen zonder theatrale afkeuring droogjes weg omdat ze er gewoon geen zín in hebben, dan weet je: deze stad weekt schaamte en oordeel los als oude postzegels. Wat me is bijgebleven aan Didions essay is het onderzoeken van de intieme schaamte die haar jonge zelf ervan weerhield om de receptie te bellen. Liever rillen van de koorts dan riskeren een dodelijke blik te ontvangen van een hotelhulpje. Het is die letterlijk ziekmakende schaamte waarover ze later lijkt te zeggen: ‘Dat hoeft niet, lieverd. Bel ze nu maar.’