Vanaf het maart 2019 nummer vind je in Vogue Nederland elk nummer drie nieuwe columns: volg de mini-memoires van Kim van Kooten, Madeleijn van den Nieuwenhuizen en Romy Boomsma.

We gaan ineens verhuizen en dat kun je heel mooi aan mijn uiterlijk zien. Bleek, ongewassen haar, monobrow, paniekblik. Ik ben niet goed in dat er dingen veranderen en zit geen overzicht te hebben tussen de dertig verhuisdozen die ik uiteindelijk bij de Hema heb gevonden omdat alle verhuisbedrijven een dozentekort hadden (Hoezo hebben jullie geen verhuisdozen verhuizen is wat jullie dóen Nou mevrouw u hoeft niet kwaad te worden Dat bepaal ik zelf wel en wtf noem me geen mevrouw, normaal zie ik er veel leuker uit). De Hema-dozen zijn nu al met driehonderd te weinig en ook nog eens heel slap, want de eerste die ik vul scheurt zodra ik hem optil. Damn you, would-be verhuisdoos! Damn all of you! Ik ga op de grond zitten, want misschien moet ik even huilen. Wat een zooi. Zo. Veel. Troep. De schoenendoos met het opschrift ‘Post voor te bewaren’ ligt naast me en ik kijk er al de hele ochtend stiekem naar (Vanuit mijn zij-oog, zou mijn moeder zeggen), maar heb hem nog niet open durven maken. Ik weet wat er in zit. Brieven en kaarten die ik de afgelopen pak hem hem beet vierentwintig jaar niet weg kon gooien, gewoon omdat. ‘Gewoon omdat’ zeg ik als ik geen zin heb om iets uit te leggen. Dit is een schoenendoos vol handgeschreven ‘gewoon omdat’. Als ik die nu openmaak is de kans groot dat ik de rest van de dag niet meer meedoe. Wat me op een bepaalde manier prima uit zou komen, want ik ben moe en heb geen idee waar ik moet beginnen met opruimen.

Weet je wat, ik lees één ding. Ik til gewoon dat deksel op en dan pak ik blind één kaart of brief en die lees ik en dan zeg ik hardop ‘Ach kijk nou wat leuk’ en daarna ga ik weer verder met verhuizen. Ik grabbel met gesloten ogen in de doos en zoek daarbij expres naar de stevigheid van een briefkaart, omdat ik vermoed dat de bewaarde kaarten luchtiger van toon zijn en daardoor minder emotionele impact zullen hebben dan alle losse velletjes briefpapier die ik voel. Brieven schrijf je (als ik het me goed herinner) omdat je naar woorden zoekt, omdat je verdrietig bent, of juist heel erg gelukkig, of omdat je het niet pikt dat het uit is, omdat je leugens wilt goedpraten of omdat je nu eindelijk eens de waarheid en niets dan de waarheid wilt zeggen. Kaarten schrijf je meestal om iemand ergens van harte mee te feliciteren óf om te zeggen dat je heerlijk aan de sangria zit en dat het vierenveertig graden is.

Het blijkt een kaart van mijn oma, dat handschrift, zo mooi. Ze overleed toen mijn man en ik dit huis kochten, vijftien jaar geleden, ik was zwanger van de oudste, die ze dus nooit heeft leren kennen. Dit treintje van gedachten is genoeg om me half te doen stikken in opkomend traansnot. Ik begin te lezen en het is vanaf de aanhef eigenlijk al niet meer te doen. ‘Lieverd,’ schrijft ze. ‘Ik schrijf je deze kaart omdat ik je via de telefoon maar niet te pakken krijg.’ Ik kan dit niet aan. Omdat ze er niet meer is (en we elkaar dus nooit meer te pakken zullen krijgen), maar ook omdat het hier om een uitgestorven zin gaat. Niemand schrijft nog een kaart omdat iemand anders telefonisch onbereikbaar is. Niemand is telefonisch onbereikbaar. Niemand schrijft nog kaarten of brieven. Niemand zoekt nog naar woorden. Ik moet verhuizen en dat is fantastisch en ik verheug me vreselijk want er is een kookeiland, maar ik ben ook doodsbang en in de war, gewoon omdat. Mijn oma is dood, ze schrijft dat ze van me houdt en dat ze hoopt dat we elkaar snel weer eens zien. Ik doe vandaag even niet meer mee.