Hij werkte vijfentwintig jaar voor Parijse en New Yorkse modehuizen toen hij besloot couture te gaan maken van geüpcyclede materialen. Vogue’s Stephanie Broek gaat in gesprek met Ronald van der Kemp.
Een interview met Ronald van der Kemp
“De Bijlmerbajes?” De taxichauffeur kijkt me even aan. “Die is al jaren dicht, hoor.” Ik leg uit dat er inmiddels kantoren en ateliers in de voormalige gevangenis zitten, waaronder dat van couturier Ronald van der Kemp (61). Zijn navigatie zet hij niet aan. “Ik heb er gezeten”, vertelt hij zonder dat ik heb gevraagd waarom hij de route zo goed kent. Tijdens het korte ritje tot aan de slagboom, “dit was vroeger ook de ingang”, zegt hij dat het er “best gezellig” was, zolang het lukte om niet te gaan “tuchten”. Dat “zo’n beetje de hele buurt er zat voor kleine diefstallen”. Sinds 2016 is de gevangenis gesloten. Er worden woningen gebouwd, er zit een hotel, een school en een club met de naam Levenslang. Als ik het verhaal voor het interview aan Ronald van der Kemp vertel, moet hij lachen. “Dat is mij ook eens overkomen.”
Twee jaar geleden was Van der Kemp de eerste creatief die een atelier in de voormalige Bijlmerbajes betrok. Hij verruilde de Herengracht voor een plek met een ander verleden. “Ik heb me nog nooit zo vrij gevoeld als in de gevangenis”, zegt hij. Een verademing ten opzichte van de grachtengordel, waar zijn atelier was verdeeld over twee verdiepingen, waardoor het “separaat” aanvoelde. “Nu zit alles overzichtelijk bij elkaar.”
Alles hergebruikt
Het talent om schoonheid te herkennen in wat anderen als restmateriaal beschouwen, past bij de ontwerper, die sinds 2014 couture maakt van geüpcyclede materialen. Jarenlang werkte Van der Kemp voor grote modehuizen in New York en Parijs, waar hij van dichtbij zag hoe verspilling en overproductie onlosmakelijk verbonden waren aan het systeem. Nog voordat sustainable fashion een begrip werd, besloot hij het roer radicaal om te gooien. Elke couturejurk die hij maakt, bestaat van paillet tot garen uit hergebruikte materialen. Momenteel werkt hij aan zijn 23ste show, die hij in Parijs op de officiële couturekalender presenteert. Een eer die wereldwijd voor slechts dertig modehuizen is weggelegd. In sommige van zijn robes is het patchwork, een terugkerend element in zijn collecties, zichtbaar, maar het merendeel van de looks verraadt nauwelijks dat de stoffen uit restpartijen komen.
Uit een rek in de dressing room waar zijn coutureklanten komen doorpassen, een ruim pashok waar zo’n acht paar schoenen op de grond staan voor een muur die volgeplakt is met publicaties uit modebladen, haalt hij een korte jurk van zwart krokodillenleer vandaan. “Ik heb een aantal adressen in Parijs waaraan modehuizen reststoffen doorverkopen. Daar vond ik allerlei lapjes krokodillenleer. Er zaten gaten in waardoor de hele partij onbruikbaar was. Dan wordt het afgekeurd en weggegooid, terwijl je, als je om die gaatjes heen werkt, er alsnog iets heel moois van kunt maken.”
In zijn open kantoor fungeert een hele muur als metersgroot moodboard. Er prijken beelden op van fotograaf Helmut Newton – “al mijn carrière lang een grote inspiratiebron; de vrouwen die hij portretteerde waren sterk en sexy, maar ook in charge, met een zekere excentriciteit. Het soort vrouwen waarvoor ik ontwerp.” Ertussen hangen brieven van oud-stagiaires en een handgeschreven kaartje van Michael Kors, die hem succes wenst met zijn show in New York in 2024 ter gelegenheid van zijn tienjarig jubileum. Op het bureau zelf is geen plekje vrij. Overal liggen schetsen, stiften, meetlinten en lappen stof, alsof het werk elk moment weer kan worden opgepakt.

