waarom-ik-als-veertiger-ineens-wil-trouwen-394256
©Matteo Montanari, Vogue Nederland juli/augustus 2022

Er komt een leeftijd waarop het – gek genoeg – een beetje raar begint te voelen om iemand je ‘vriendje’ te noemen. Mark en ik kregen een relatie toen we begin twintig waren. Pre-datingapps stelde een vriend ons aan elkaar voor in een café. We zijn altijd bij elkaar gebleven – en tóch hebben we het huwelijksbootje laten varen. Maar een paar kinderen en twintig jaar later willen we nu, als veertigers, ineens wel trouwen.

De truc om bij elkaar te blijven

Nadat Mark en ik een relatie kregen, trokken we samen in een heel klein appartement boven een snackbar. Daarna verhuisden we naar een iets groter appartement in dezelfde buurt. Echt gezellig was het er in het begin niet: de muren en de vloer waren zwart geverfd. We kwamen er al snel achter dat de vorige huurder een satanistische sekswerker was geweest (award winning, ook nog eens).

Vrienden trokken in de aangrenzende flats. Een tijdje voelde het als een soort vrolijke commune. We deden drankjes in de gedeelde tuin en liepen bij elkaar naar binnen om eieren te lenen. Dit was de flat waar we voor het eerst ruziemaakten – en het weer goedmaakten. Waar we de muren schilderden en waar we, zo’n tien jaar later, ons eerste kind kregen. Binnen de muren van dit appartement breidden onze levens zich samen uit.

Vlak voor de lockdown kochten we een huis dichter bij onze families. Net op tijd voor de komst van ons tweede kindje. En toen, op een lentedag, werden we wakker en beseften we dat het onze twintigste anniversary was. De truc om bij elkaar te blijven, zo bleek, was twintig jaar lang elke ochtend stilzwijgend afspreken om niet uit elkaar te gaan.

Elke week onze beste artikelen in je inbox? Schrijf je hier in voor de Vogue-nieuwsbrief.

Het leven na het settelen

Als we de films moeten geloven, gebeurt het ‘echte leven’ voordat je je settelt: alle romantiek, avonturen, groei en mislukkingen. In zo’n periode blijft er weinig ruimte over om je af te vragen wat er daarna gebeurt.

Ik heb ontdekt dat het leven niet ophoudt na het settelen. The truth is: er gebeurt heel veel in een gezinsleven. In plaats van gesprekken bij maanlicht in Parijs, ontdek je na twintig jaar samenzijn nieuwe dingen over elkaar terwijl je in pyjama de vaatwasser inruimt. Er staat nog steeds evenveel op het spel – meer zelfs, als je kinderen hebt – maar het speelveld is zo vlak en klein geworden als je achtertuin.

Iemands vrouw zijn

De eerste keer dat we het over trouwen hadden, leidde tot niks. Vooral omdat ik het niet wilde. Het huwelijk, zo legde ik uit, bevond zich op het snijpunt van patriarchaat en kapitalisme. Het vormde een bedreiging voor ons allemaal, zowel politiek als persoonlijk: waarom zouden we onszelf zonder reden institutionaliseren, waarom zouden we vrijwillig meewerken aan een instrument van de staat? En was niet-trouwen als heteroseksueel stel niet onze laatste, kleine daad van rebellie? Ik wilde niet iemands ‘vrouw’ zijn: gereduceerd, gedegradeerd. “Oké”, antwoordde Mark. En we gingen door met ons leven. Ik had me toen nooit kunnen inbeelden dat ik ooit nog zou willen trouwen, en al helemaal niet als veertiger.

Onze relatie groeide. We kregen uiteindelijk kinderen, en onze gedeelde roots werden sterker. Ik begon een wekelijkse column te schrijven voor de Britse krant The Observer. Toen we eenmaal de veertig passeerden, krompen we allebei een beetje ineen als ik hem omschreef als mijn ‘vriendje’ (kinderachtig) of ‘partner’.

Op een dag interviewde ik een queer historicus die een boek over het huwelijk had geschreven. Daaruit leerde ik hoe deze instelling zich in de loop der jaren zo sterk heeft hervormd, dat een bruiloft vaak verschillende dingen betekent voor verschillende mensen – zelfs als ze in hetzelfde huis wonen. Halverwege de pandemie, met onze nieuwe baby als een soort klok, begonnen mijn gedachten over het onderwerp te veranderen.

Tegenslag

Al had ik niet door dat er iets aan het veranderen was. Totdat mijn zus in 2022 ziek werd. Zij en haar partner waren al een tijdje bezig met de voorbereidingen voor hun bruiloft, toen een kankerdiagnose hun plannen met één klap de grond in sloeg. Tijdens een kort uitstapje uit het ziekenhuis haastten ze zich naar het gemeentehuis. Ik keek via FaceTime naar hun bruiloft. En tussen alle liefde en pijn door werd er iets in mij zachter – of misschien wel broos.

Twintig jaar na ons eerste gesprek hierover begon ik weer met Mark over trouwen te praten. Deze keer was hij degene die er minder warm van werd. Het was niet zozeer dat ik met mijn oorspronkelijke argument zo overtuigend was geweest. Meer dat hij zich afvroeg: wat had het nu nog voor zin? Nog trouwen als veertigers? We hadden ons al tien keer aan elkaar verbonden. Moesten we echt geld uitgeven om dat officieel te maken? Waarschijnlijk niet, beaamde ik. Maar misschien toch ook wel?

Trouwen als veertiger

De jaren waren voorbijgevlogen, de ene na de andere. Aan de lunchtafel op mijn 45ste verjaardag bespraken we hoe een bruiloft eruit zou kunnen zien. Zouden we onze namen moeten veranderen? Nee, dat zou zowel ontwrichtend als raar zijn. Zouden de kinderen en onze ouders het leuk vinden? Ja, dat zeker. Dat laatste was op de een of andere manier de kern van alles: het voelde alsof, na al die jaren, een huwelijk iets ‘gemeenschappelijks’ zou zijn. Het zou een teken zijn van intentie en zekerheid, in een leven dat sporadisch voortdreef op golven van chaos, vruchtbaarheid en routine. En er zou taart zijn.

Op kerstochtend draaide Mark zich om in bed, gaf me twee parelringen in een doosje en vroeg of ik met hem wilde trouwen. Toen kwamen de kinderen binnen, en daarna ook mijn vriendin (die vroeger in de flat ernaast woonde en die was blijven slapen). Toen gingen we allemaal naar beneden en aten we croissantjes. Na al die tijd, al dat nadenken, voelde het nu zo eenvoudig.

Nu we beginnen met het plannen van een feest (in de tuin, en op korte termijn, zodat onze hele familie gezond aanwezig kan zijn), voel ik nog steeds af en toe een steekje van schuldgevoel of politieke twijfel. Maar dat alles wordt verzacht door het besef dat ik met de jaren heb opgedaan: dat wanneer zich een kans voordoet om iets te vieren, je die met beide handen moet aangrijpen. En dat het huwelijk, naast een traditie, in een periode van afleiding en rouw ook een zeldzame kans is. Namelijk om de liefde recht in de ogen te kijken en ‘ja’ te zeggen.