De twaalf kleurpotloden van mijn tienjarige zoon zitten netjes in het doosje op de keukentafel. Een voor een haalt hij ze eruit, steekt ze daarna precies terug zoals op de verpakking afgebeeld. Na het elfde kleurtje zegt hij dat hij nog ergens een ander potlood gaat zoeken. “Maar je hebt die roze nog niet gebruikt.” Hij, nonchalant graaiend in de kleurtjes-la: “Ik haat roze.”
Mijn fantastische, prachtige zoon, die jarenlang lang haar had en honderd autootjes, die voetbalde in de prinsessenjurken van zijn nichtje, mijn vrije vrucht gods … Híj haat roze?! Waar is het misgegaan?! Wat heeft hij op tv gezien waardoor hij zich plotsklaps zo misogyn uitlaat over een bloody kleurpotlood? Waarom heb ik dit niet zien aankomen? En hij heeft nog niet eens een telefoon!
Nienke ’s Gravemade in Vogue
Moedeloos laat ik mijn schouders hangen. Ik heb gefaald. Alle inspanningen hebben niet kunnen behoeden dat mijn oogappel een vrouwenhater is geworden. Beelden uit de documentaire Inside the Manosphere van Louis Theroux dringen zich aan me op. De mannen die hij daarin portretteert. Kerels met grootheidswaan en dollartekens in hun ogen, die vrouwen als objecten behandelen en zoekende jongens hun algoritmes insleuren met loze beloftes over succes en rijkdom.
Elke week onze beste artikelen in je inbox? Schrijf je hier in voor de Vogue-nieuwsbrief
Ik snuif, maar poog luchtig te klinken: “Waarom haat jij roze?” Zijn blik verlaat de stiftenbak niet. “Eh mam … jij vindt roze ook niet mooi.” Alsof hij een emmer ijswater in mijn gezicht gooit. Koud, nat en verhelderend. Het is waar. Ik vind roze ook niet mooi. Niet in kleding, niet in interieurs. Zelfs huidverzorging in een roze fles koop ik liever niet. Er is geen expliciete reden voor. Als meisje kon het me namelijk niet roze genoeg. De Barbie-camper was mijn dierbaarste bezit en ik kan me nog een bubbelgumroze jurk herinneren die ik weigerde uit te trekken na mijn achtste verjaardag.
Ieeeuw, een snor
In dat beeld van mijzelf als meisje met roze jurk, barbies en beginnende tietjes kwam een barst toen ik rond mijn twaalfde te maken kreeg met het fenomeen ‘haartjes op mijn bovenlip’. Het woord ‘haartjes’ is trouwens zwaar overdreven, dat zie ik nu ook wel. Het ging om een donsje, goedbeschouwd. Donsjes die iedereen heeft, in meer en mindere mate, maar die van mij waren wat donkerder en daarmee meer in het zicht. En in het zicht is in het licht, dus het duurde niet lang voor iemand – een jongen uit mijn klas – naar mijn gezicht wees en de poëtische woorden sprak: “Ieeeuw, je hebt een snor.”
Een snor?! Mijn vader had een snor. Daar leek mijn nauwelijks waarneembare vachtje in de verste verte niet op. Zo veel wist ik. Wat ik ook wist was dat dit nooit meer mocht gebeuren. Het duurde dan ook niet lang voor ik met allerhande oorlogsmaterieel het poezelige stukje huid onder mijn neus aanviel. Blonderen. Stank! Epileren. Pijn! Harsen. Allebei! En zoals dat gaat met ongemak in je jeugd: jong geleerd is oud gepanikeerd. Ik ben nu drieënveertig en nog altijd wijkt de pincet geen dág van mijn zijde.