uit-de-kast-komen-verhielp-niet-mijn-kledingcrisis-sterker-nog-ik-kreeg-er-een-nieuwe-bij-402064
©RASMUS WENG KARLSEN, SEPTEMBER/OKTOBER 2025, VOGUE LIVING

Daar sta je dan: in je onderbroek en bh voor de spiegel, omringd door bergen kleding. Je kast puilt uit, en toch weet je niet wat je aan moet trekken. Een monday morning meltdown die iedereen wel herkent. Gooi daar een flinke dosis queer questioning bovenop en je omschrijft een gemiddelde ochtend uit mijn leven, pre-coming out. Toen ik uit de kast kwam, viel er dan ook een last van mijn schouders: nu zou ik vast beter weten wat ik aan zou moeten trekken. Maar niets bleek minder waar. Uit de kast komen verhielp helemaal geen kledingcrisis. Sterker nog, ik kreeg er een nieuwe bij.

Een kledingcrisis na uit de kast komen

Voor een aantal van mijn queer vrienden – en voor vele anderen in de LHBTQ+-community – is een kledingcrisis wel de minste zorg van uit de kast komen. Een van mijn bi-vriendinnen had destijds wel wat anders aan haar hoofd dan kleding: de angst rondom haar religieuze familieleden, die haar hoogstpersoonlijk aan de schandpaal hadden genageld als ze achter haar ware geaardheid waren gekomen. Ook anno 2026 is acceptatie nog steeds geen gegeven, en is homofobie very, very real.

Elke week onze beste artikelen in je inbox? Schrijf je hier in voor de Vogue-nieuwsbrief

Stom genoeg droeg haar verhaal bij aan mijn eigen frustratie. Vooral omdat ik helemaal geen soortgelijke struggle had. Ik heb liefdevolle ouders, die mij altijd hebben opgevoed met de boodschap dat ‘sommige meisjes andere meisjes leuk vinden’, en dat daar niks mis mee is. Het aan oma vertellen deden we maar niet, maar toen ik op de middelbare school uit de kast kwam, wist ik dat ik blindelings kon vertrouwen op de steun van mijn ouders en vrienden.

Eigenlijk had ik dus niks te klagen, vond ik. Toch kunnen zelfs de meest accepterende ouders en vrienden niet de volledige impact opvangen als het gaat om het omarmen van een nieuwe identiteit.

Kleding en seksualiteit

Uit de kast komen verklaarde voor mij een hoop, maar was desalniettemin ontwrichtend. Want als zoiets fundamenteels als je seksualiteit anders blijkt dan je altijd dacht, wat zegt dat dan over je algehele identiteit?

Zoals voor de meesten is mijn kledingstijl voor mij altijd een weerspiegeling van mijn identiteit geweest. Toen de realisatie van mijn seksualiteit insloeg, brak het die spiegel in duizend stukjes. Wat overbleef waren gefragmenteerde stukjes zelf, zonder enig idee hoe de puzzel in elkaar stak. In mijn geval was uit de kast komen – zoals het dat voor sommigen in mijn omgeving was – dus niet een soort bevrijdend moment, waarop ik éindelijk kon dragen wat ik eerst niet durfde; ik kreeg er juist een extra kledingcrisis bij.

Mijn coming-out ging voor mij daarom vooral gepaard met het experimenteren met kledingstijlen. Ik ben nooit een écht rokjesmeisje geweest, maar als baby gay (vakterm, ik verzin het niet) was daar al helemaal geen sprake meer van. Ik viel (ook) op vrouwen – dan moest ik er ook maar eens zo uit gaan zien. Weg met mijn oude, strakke en kleurrijke kleding; ik moest er voor zorgen dat ik er niet meer straight uitzag. Je geaardheid legitimeer je tenslotte door middel van je uiterlijk, toch? Althans, dat zouden alle films met ultrabutch lesbiennes mij hebben doen geloven. Who knew dat het oké is om je vrouwelijk te kleden, als je ook op vrouwen valt.

Veilige kaders

Jong en beïnvloedbaar als ik was, resulteerde dat in een shopping spree bij de mannenafdeling, een afspraak bij de lokale piercer en het aan mijn broertje overhandigen van een tondeuse. Ik kan er nu zelf ook om lachen.

Eenmaal uitgerust met oversized shirts, nieuwe piercings en een undercut, leken de puzzelstukjes eindelijk even in elkaar te passen. Ik voldeed ten slotte aan de eisen die de maatschappij aan mij stelde, als queer vrouw. Ik zag er mannelijker uit. Of eerder: makkelijk te categoriseren. Dat stelde me gerust. Ik probeerde gevoelens te verklaren die ik zelf nog niet begreep, dus was het makkelijker om me vast te klampen aan de veilige, al vastgestelde (maar achteraf beknellende) kaders die mijn nieuwe label zogenaamd definieerden.

De volgende ronde hokjesdenken

Toch ontdekte ik ook een andere kant van het verhaal: in de periode die volgde, werd ik overspoeld door een waslijst aan microlabels (zoals butch, high femme, soft femme, stem, futch… en wat is in godsnaam een chapstick lesbian?). En dat terwijl ik dacht dat de queer community juist de plek was waar ik labels los kon laten.

Uit de kast komen was al een introspectief project op zich – pot, pan, ik heb ongeveer het hele keukengerei gehad in mijn zoektocht naar een label dat goed voelde – en nu moest ik door naar de volgende ronde hokjesdenken?

Performative dressing

Ik kleedde me een tijdje volgens het microlabel dat ik mezelf had aangepraat (re: het undercut-incident), maar op een gegeven moment realiseerde ik me dat het zinloos was om bepaalde kleding te dragen om er maar queer uit te zien – juist door die vele hokjes. Het was niet écht mijn eigen stijl – zoals het dat voor anderen in de community misschien wel is. Op mijn lijf voelde het performative.

Maar tegelijkertijd rees de vraag: als ik me femme ga kleden, hoe moeten andere queer vrouwen dan weten dat ik een van hen ben? Offline bleek namelijk al snel dat andere queer vrouwen in the wild ontmoeten niet altijd makkelijk is (‘Zou zij ook op vrouwen vallen, of draagt ze gewoon Timberlands? Is dat flannelshirt een hint, of gewoon edgy?’)

Geen bewijs van identiteit

Naarmate ik steeds meer gay vrienden kreeg (van wie er velen mijn bedenkingen over microlabels deelden) besefte ik gelukkig steeds meer dat er niet één juiste manier is om LHBTQ+ zijn. En, niet in de minste plaats, dat het me niet minder queer maakt dat ik op hakken loop of een jurk draag. Onderaan de streep is performative queer dressing trouwens ook geen oplossing voor het dating issue, ontdekte ik. Hoe duidelijk je je seksualiteit ook maakt, leuke, compatible meiden komen niet uit de lucht vallen.

Bijna een decennium later kan ik dus beter uitzoomen. Ik besef inmiddels dat geaardheid geen kledingstijl voorschrijft, en andersom. Persoonlijke stijl is uiteindelijk een vorm van zelfexpressie, geen bewijs van identiteit – hoe moeilijk ik dat in het begin ook vond om te geloven. Tegenwoordig breid ik dus vlot mijn verzameling slingbacks uit – terwijl die stapel flannels gewoon in de kast blijft liggen.